Conclusie
1.Inleiding
lex loci protectionis). Art. 5 lid 1 BC Pro heeft mede betrekking op de rechten die de Berner Conventie in het bijzonder aan auteurs verleent (in IPR-terminologie: de
lex conventionis). Daartoe behoort het formaliteitenverbod in het tweede lid van artikel 5 BC Pro, dat in dit geding een rol speelt.
industrial art) en modellen van nijverheid. Sommige landen, waaronder destijds Italië, waren niet bereid aan fabrieksproducten auteursrechtelijke bescherming te verlenen. In het zevende lid is een wederkerigheidsregel opgenomen: dubbele bescherming (d.w.z. zowel auteursrechtelijk als modelrechtelijk) behoeft slechts te worden verleend indien het recht van het land van oorsprong van het werk dat ook doet.
2.De feiten en het procesverloop
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
De vereiste instandhoudingsverklaring en het formaliteitenverbod in de Berner Conventie
het geldend maken vandit aan art. 7 lid 4 te Pro ontlenen rechtniet aan formaliteiten mag worden onderworpen. Met andere woorden: het ontbreken van een instandhoudingsverklaring kan
gedurende 25 jaarna het vervaardigen van het werk niet aan een auteur, die een beroep toekomt op de BC, worden tegengeworpen.” (rov. 4.5.10)
nietop een bepaling die het verval regelt van een auteursrecht dat is toegekend onder de wetten van het land waar de bescherming wordt ingeroepen.
Subonderdeel 1.2behoeft na het voorgaande geen verdere bespreking. Mijn slotsom is dat onderdeel 1 van het incidenteel middel faalt.
subonderdeel 2.1.2klaagt Montis dat het hof ten onrechte verband heeft gelegd tussen het formaliteitenverbod in art. 5 lid 2 BC Pro en de door art. 7 lid 4 BC Pro gegarandeerde beschermingsduur van minimaal 25 jaar.
Subonderdeel 2.1.3sluit hierbij aan met de klacht dat het hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het arrest-Cassina: volgens Montis heeft de Hoge Raad de schending van elk van deze twee verdragsbepalingen als zelfstandige gronden beschouwd om het rechtsgevolg van art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW, het verval van het auteursrecht wegens het ontbreken van een instandhoudingsverklaring, opzij te zetten.
Subonderdeel 2.1.4heeft betrekking op de door het hof hieruit gemaakte gevolgtrekkingen. Volgens Montis is rechtens niet juist dat de door art. 7 lid 4 BC Pro bepaalde minimale termijn van 25 jaar in de plaats komt van de geldigheidsduur tot 70 jaar na de dood van de auteur (
subonderdeel 2.1.6).De subonderdelen 2.1.5, 2.1.7 en 2.1.8 hebben betrekking op aspecten van EU-recht: die klachten zal ik niet hier, maar tegelijk met onderdeel 2.3 behandelen.
lex loci protectionis) en daarnaast op de rechten die de Berner Conventie hem rechtstreeks toekent (de
lex conventionis). Met een beroep op gelijkstelling met het in Nederland geldende recht bereikt Montis haar doel niet: dat recht verbindt aan het ontbreken van een instandhoudingsverklaring immers de consequentie van het verval van het auteursrecht. Een beroep op het formaliteitenverbod in art. 5 lid 2 BC Pro voor een werk waarvan Duitsland het land van oorsprong is, is weliswaar mogelijk voor beschermd werk in het algemeen, maar lijdt uitzondering zodra bescherming wordt gezocht voor werken van toegepaste kunst: zie art. 2 lid 7 BC Pro. Bij de bespreking van onderdeel 1 van het incidenteel middel kwam dit al ter sprake. Na het verstrijken van 25 jaren na de vervaardiging blijft nog steeds onwenselijk dat een bepaling in het nationale recht van een verbondsland afwijkt van het in art. 5 lid 2 BC Pro neergelegde beginsel, maar kan m.i. niet staande worden gehouden dat de nationale wettelijke bepaling onverbindend is omdat dat zij in strijd zou zijn met art. 5 lid 2 BC Pro. In het arrest-Cassina was het niet art. 5 lid 2 maar Pro de combinatie van art. 7 lid Pro 4, art. 2 lid 7 en Pro art. 5 lid 2 BC Pro, die art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW buiten toepassing stelde. Tenzij Montis rechten kan ontlenen aan het recht van de Europese Unie, falen de klachten onder 2.1 waarin Montis een langere beschermingsduur dan 25 jaar bepleit.
5.Aspecten van Europees Unierecht en Benelux-recht
Onderdeel 2.3, door Montis geplaatst onder het kopje “Bescherming voor Nederlandse onderdanen conform Montis I”, heeft kennelijk betrekking op de in eerste aanleg subsidiair aangevoerde stelling dat Nederland moet worden beschouwd als het land van oorsprong van het werk. Met name in de
subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2klaagt Montis dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, althans het oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, door niet kenbaar in te gaan op de volgende stellingen:
en dat het schrappen van dit artikel per 1 december 2003 daarin geen verandering brengt.Over vragen van uitleg van het Protocol in een bodemprocedure heeft het Benelux-Gerechtshof het laatste woord [55] . Maar eerst moet worden verkend, hoeveel ruimte het E.U.-recht aan de lidstaten laat.
subonderdeel 2.1.7, nader uitgewerkt in subonderdeel 2.3.3, komt neer op de klacht dat het hof miskent dat het verbod van onderscheid naar nationaliteit (thans: art. 18 VWEU Pro) in de weg staat aan toepassing van het criterium ‘land van oorsprong’ in de Berner Conventie, indien deze ertoe leidt dat in Nederland voor werken waarvan Nederland het land van oorsprong is geen auteursrechtelijke bescherming wordt verkregen, maar wel voor werken waarvan Duitsland het land van oorsprong is.
subonderdeel 2.1.8komt neer op de klacht dat het hof miskent dat art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingstermijnrichtlijn [56] in verbinding met art. 51 Aw Pro meebrengt dat een werk dat op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk werd beschermd, van rechtswege ook in Nederland wordt beschermd, althans dat de auteursrechtelijke bescherming daarvan herleeft. Deze klacht houdt mede verband met het hierna te bespreken subonderdeel 2.3.4.
alleomstandigheden geldt, dus ook in Nederland wanneer Nederland het land van oorsprong is. Montis stelt dat wanneer het onderscheidend criterium tot een ongunstiger behandeling door een lidstaat van zijn eigen onderdanen leidt, in vergelijking met de behandeling door die lidstaat van onderdanen van andere EU-lidstaten, het criterium in strijd is met het discriminatieverbod (de klacht onder 2.3.3).
acte éclairé, zodat de onderdelen 2.1.7 en 2.3 kunnen worden verworpen zonder daarvoor prejudiciële vraagstelling nodig is.
onder 2.1.8. Deze houdt in dat het hof heeft miskend dat art. 10 lid 2 van Pro de Beschermingstermijnrichtlijn, in verbinding met art. 51 Aw Pro, meebrengt dat een werk dat op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk werd beschermd, ook in Nederland wordt beschermd naar Nederlands auteursrecht, althans dat de auteursrechtelijke bescherming in Nederland herleeft. De toelichting op deze klacht komt erop neer dat indien op 1 juli 1995 (de in art. 10 lid 2 van Pro de Richtlijn bedoelde peildatum) in een of meer EU-lidstaten auteursrechtelijke bescherming werd genoten voor de stoel “Charly”, de stoel ook in Nederland auteursrechtelijk beschermd moet blijven tot 70 jaar na de dood van de auteur. Volgens Montis is aan deze voorwaarde voldaan, omdat de stoel “Charly” op 1 juli 1995 in Duitsland auteursrechtelijk werd beschermd [63] en het tijdvak van 70 jaar na de dood van de auteur nog niet is verstreken.
onder 2.3.4. Deze houdt in dat het hof heeft miskend dat het schrappen van art. 21 lid 3 en Pro art. 24 (oud) BTMW per 1 december 2003, indien dit wordt beschouwd in samenhang met de Beschermingstermijnrichtlijn, tot gevolg heeft dat een op grond van art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW vervallen auteursrecht met terugwerkende kracht herleeft [64] .
acte clairof
acte éclairé,die maakt dat prejudiciële vragen aan het HvJ EU achterwege kunnen blijven, is m.i. geen sprake. Montis had in Nederland auteursrechtelijke bescherming van haar stoel kunnen hebben voor de periode tot 70 jaar na de dood van de auteur, mits zij tijdig een instandhoudingsverklaring had afgelegd. Het thema van een prejudiciële vraag aan het HvJ EU zou dan ook kunnen zijn: of de in Richtlijn 93/98/EG, thans: Richtlijn 2006/116, beoogde beschermingsduur meebrengt dat een naar het nationale recht van een lidstaat vanwege het niet naleven van een formaliteit, althans om een andere reden dan het verstrijken van de beschermingsduur, vervallen auteursrecht herleeft (indien dit nodig is om een werk dat op 1 juli 1995 in een andere lidstaat auteursrechtelijk werd beschermd, tot 70 jaar na de dood van de auteur te kunnen beschermen).
Anno1993 kon deze Richtlijn nog niet in de weg staan aan het verval van het auteursrecht van Montis naar nationaal recht wegens het ontbreken van een instandhoudingsverklaring. Dan blijft de vraag staan, hoe − voor het tijdvak na 1 juli 1995 − het overgangsrecht bij het Benelux-Protocol (tot schrapping van het vereiste van een instandhoudingsverklaring per 1 december 2003) richtlijnconform moet worden uitgelegd: brengt de schrapping mee dat het auteursrecht op een stoelmodel, dat naar nationaal recht in 1993 is vervallen wegens het ontbreken van een instandhoudingsverklaring, herleeft met ingang van 1 december 2003 of zelfs met terugwerkende kracht tot 1 juli 1995? Het antwoord op deze vraag is praktisch van belang in verband met de datum 1 januari 2008 die het hof hanteert, indien de klacht over de uitleg van de Berner Conventie zou slagen. Indien de uitleg door het hof van de BC wordt gevolgd en 1 januari 2008 de einddatum van de auteursrechtelijke bescherming in Nederland is, blijft de kwestie van belang voor de periode na 1 januari 2008 tot 70 jaar na de dood van de auteur.
6.De bewijsopdracht m.b.t. Duitsland als het ‘land van oorsprong’ van het werk
onder 2.2.1houdt in dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd te buiten is gegaan, door te overwegen dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat dat het enkele tentoonstellen van het werk niet geldt als een (eerste) publicatie daarvan in de zin van de Berner Conventie (rov. 4.8.2). Montis voegt hieraan toe dat het de rechter niet vrij staat, zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar uit de ten processe gebleken feiten en omstandigheden zouden kunnen worden afgeleid, maar door de procespartijen niet aan de vordering of aan het verweer ten grondslag zijn gelegd [71] . Voor zover aan ’s hofs oordeel ten grondslag ligt dat [verweerster] heeft gesteld dat het enkele tentoonstellen van de stoel “Charly” niet als publicatie daarvan kan gelden en Montis die stelling niet heeft weersproken, klaagt Montis dat het hof zélf had behoren te onderzoeken of het tentoonstellen van een stoelmodel volstaat.
onder 2.2.2bestrijdt met een rechtsklacht het oordeel dat het enkele tentoonstellen van de stoel niet kan gelden als een ‘publicatie’ van dat werk in de zin van art. 5, lid 4 onder a, BC. Volgens de toelichting heeft het hof ‘werken van toegepaste kunst’ verward met ‘kunstwerken’: ten aanzien van ‘kunstwerken’ bepaalt art. 3 lid 3 BC Pro dat het tentoonstellen daarvan geen ‘publicatie’ vormt.
subonderdeel 2.1klaagt [verweerster] nader dat het hof heeft miskend:
centre de diffusion"), dan wel
subonderdeel 2.2stelt [verweerster] dat gegrondbevinding van de eerste klacht de bewijsopdracht vitieert. In de
subonderdelen 2.3 en 2.4klaagt [verweerster] dat het hof miskent dat Montis te weinig feiten heeft gesteld om te worden toegelaten tot levering van het bewijs dat de stoel “Charly” op de meubelbeurs van Keulen in januari 1983 voor het eerst is gepubliceerd in de zin van art. 3 lid 3 BC Pro.
Subonderdeel 2.5bouwt voort op de voorgaande klachten. De genoemde klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
publierheeft evenals het Engelse werkwoord
publishde betekenis van actief openbaar maken, aan het publiek ter beschikking stellen. Ook in de Nederlandse taal heeft het woord ‘publiceren’ een actieve betekenis. Wel is een spanningsveld gelegen in de context waarin het woord ‘publicatie’ wordt gebruikt. Degene die moet vaststellen in welk land een bepaald werk voor het eerst is gepubliceerd, zal niet kijken naar de plaats waar het publiek zich bevindt, maar naar de locatie van de bron: de plaats van waaruit het werk aan het publiek ter beschikking wordt gesteld. In het klassieke voorbeeld van het publiceren van een boek of ander drukwerk gaat het dan om de plaats van uitgave; deze pleegt op het titelblad te worden vermeld. In art. 3 lid 3 BC Pro wordt het begrip ‘gepubliceerde werken’ omschreven als: ‘werken die met toestemming van hun auteur zijn uitgegeven’ (in de Franse tekst: “
editées”).
nietbij de Berner Conventie aangesloten landen (destijds bijvoorbeeld: de Verenigde Staten) die via deze bepaling wilden profiteren van de bescherming van de Berner Conventie, door middel van een uitgave
pro formavan hun werk in een verbondsland. Om
free rider-gedrag tegen te gaan, werden in de oudere jurisprudentie stevige eisen gesteld aan de ‘publicatie’/eerste uitgave in een verbondsland. Het enkele feit dat exemplaren van het werk in een ander land zijn verspreid, wordt niet toereikend geacht om te spreken van een zelfstandige uitgave in dat land [75] . In de woorden van Ricketson en Ginsburg: ‘there must be an actual making available of copies within the country in question, which implies, in turn, the existence of some centre (or centres) for distribution’ [76] . In de verhouding tot een distributeur in het andere land, kan zich de vraag voordoen of het werk is ‘gepubliceerd’ in dat andere land. In een dergelijk geval besliste de Hoge Raad dat “beslissend is, of deze vennootschap krachtens overeenkomst met dengene, die het recht had om over de openbaarmaking en verveelvoudiging te beschikken, bevoegd is geworden – zij het wellicht in tijdsduur en afzetgebied beperkt – het werk op eigen naam en verantwoording te exploiteeren, en dienovereenkomstig het werk voor het publiek beschikbaar heeft gesteld.” [77]
serieuse et non-fictive’is. Verspreiding van het werk slechts in een besloten kring is niet toereikend. Ook het voor de vorm verspreiden van een beperkt aantal exemplaren onder het publiek volstaat niet. Daarbij komt het niet zozeer aan op de grootte van de oplage (sommige soorten van werken, zoals bladmuziek, plegen in zeer kleine oplagen te worden verspreid), maar op de vraag of – gelet op de aard van het werk − het publiek werkelijk toegang tot het werk heeft gekregen.
binnendat land; niet slechts het invoeren van exemplaren van het werk in dat land. Hoewel een vaste inrichting/vestiging binnen het land kan bijdragen tot bewijs dat in dat land de uitgave van het werk plaatsvindt (‘
centre de diffusion’), is het hebben van een vaste inrichting in het verdrag geen vereiste. Beslissend is of exemplaren van het werk op de beurs in Keulen voor het publiek verkrijgbaar zijn gesteld, door de zorg en onder verantwoordelijkheid van Montis of een andere persoon of rechtspersoon die aldaar de (commerciële) exploitatie van het werk op zich heeft genomen. De omstandigheid dat na een op de beurs geplaatste bestelling, de levering van de stoelen door Montis rechtstreeks vanuit Nederland werd verricht, doet daaraan niet af. Bij dit alles moet rekening gehouden met de redelijke behoeften van het publiek en de aard van het werk. In het onderhavige geval behoeft niet te worden gevreesd dat een auteur uit een
nietbij de Berner Conventie aangesloten land wil profiteren van auteursrechtelijke bescherming onder de Berner Conventie door middel van een
pro forma‘uitgave’ van zijn werk in een verbondsland. Dan zie ik ook geen reden om aan de eerste ‘publicatie’ van het werk in een verbondsland bijzonder hoge eisen te stellen.
klacht onder 3.1houdt in dat het hof miskent dat indien exemplaren van een werk slechts worden aangeboden aan een beperkte groep waarvan de leden de mogelijkheid hebben exemplaren van het werk te bestellen of te kopen, deze groep niet kan worden beschouwd als het ‘publiek’ in de zin van art. 3 lid 3 BC Pro. Het aanbieden van de stoel “Charly” aan een beperkte groep van personen, zoals de groothandel, dealers en potentiële afnemers niet zijnde eindgebruikers, kan volgens [verweerster] niet worden aangemerkt als het door art. 3 lid 3 BC Pro vereiste zodanig ter beschikking stellen “dat daarmee wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek, zulks met inachtneming van de aard van het werk”.
onderdeel 3.2niet mee dat sprake is van een zodanig ter beschikking stellen van exemplaren van het werk “dat daarmee wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek”. Subsidiair klaagt het middelonderdeel dat de overweging dat zal moeten komen vaststaan “dat Montis de Charly tijdens de genoemde beurs voor het eerst aan het publiek, waaronder de meubelverkopers, heeft aangeboden en dat potentiële afnemers de mogelijkheid hadden de Charly te bestellen en/of te kopen”, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. [verweerster] wijst erop dat zij in de feitelijke instanties heeft aangevoerd dat, gelet op de omvang van de Duitse markt, Montis op de beurs in Keulen een voorraad van tenminste duizend exemplaren nodig had om aan deze maatstaf te voldoen en dat, volgens de eigen stellingen van Montis, aan dit vereiste niet werd voldaan.
onder 3.3houdt in dat het hof heeft miskend dat Montis onvoldoende heeft gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten. Volgens de toelichting op deze klacht kunnen de stellingen van Montis – dat de “Charly” in Dongen (Nederland) is geproduceerd, dat klanten de “Charly” op de meubelbeurs in Keulen konden bestellen, dat de “Charly” daarna vanuit Dongen werd geleverd en dat in Duitsland geen distributiecentrum aanwezig was – slechts tot het oordeel leiden dat met de op de meubelbeurs ter beschikking gestelde exemplaren van de “Charly”
nietwerd voorzien in de redelijke behoeften van het publiek.
allein art. 3 lid 3 BC Pro vervatte elementen, waaronder begrepen het element dat “daarmee wordt voorzien in de redelijke behoeften van het publiek”. Op voorhand is, om in de redelijke behoeften van het publiek te voorzien, niet
per severeist dat voldoende exemplaren van de “Charly” fysiek op de beurs in Keulen aanwezig waren om ter plekke tot levering over te gaan. De verdragsbepaling laat immers ruimte om rekening te houden met de aard van het product. Indien waar is, zoals Montis stelt, dat gebruikelijk is dat dit soort stoelen met een levertijd van een aantal weken worden besteld, kán sprake zijn van een eerste publicatie/uitgave in de zin van de Berner Conventie. Of in het concrete geval daarvan sprake is, staat ter beoordeling van de rechter die over de feiten oordeelt.