Conclusie
1.Feitenen procesverloop
2.Bespreking van het cassatieberoep
Zegt een executabel verstekvonnis dat er ‘dus’ een vordering is?’, is gericht tegen rov. 2.3 van het bestreden arrest. Aangezien het onderdeel ook teruggrijpt op rov. 2.2, wordt rov. 2.2 hier ook weergegeven:
ten uitvoerlegging bij voorraad’, ‘
kennelijke vergissing’ en ‘
misbruik van (verhaals)recht’) met mogelijke toepassing van de maatstaf uit genoemd arrest, maar een materieelrechtelijke beoordeling door te toetsen of de stichtingen eigenlijk wel een “harde” vordering op [verzoeker] hebben. Dat klemt volgens het onderdeel temeer in het licht van de door [verzoeker] gedocumenteerd aangevoerde materieelrechtelijke stellingen, zoals door het hof samengevat in rov. 2.2. Die laten zich niet anders verstaan, dan dat de stichtingen, anders dan zij in het geding dat tot het incassoverstekvonnis heeft geleid hebben gesteld,
geenvordering op [verzoeker] hebben, omdat de eenmanszaak van [verzoeker] geen werknemers in dienst heeft (gehad) en dat het incassoverstekvonnis in de verzetprocedure daarom vernietigd zal worden.
nooitafdoende is, stuit dat op het voorgaande af.