ECLI:NL:PHR:2012:BX7959
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van afpersing zonder economische waarde van gegevens en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn
In deze zaak stond de vraag centraal of de term 'gegevens' in artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht een onmiddellijke of middellijke economische waarde moet bezitten om als afpersing te kwalificeren. Het hof had verdachte veroordeeld wegens afpersing, wapenbezit en overtreding van de Opiumwet.
De verdachte had samen met een mededader het slachtoffer met geweld en bedreiging gedwongen tot het verstrekken van informatie omtrent een vermeende diefstal van hennep. De verdediging stelde dat de term 'gegevens' in de wet een economische waarde moet hebben, wat volgens de Hoge Raad niet uit de wetsgeschiedenis of tekst volgt. De Hoge Raad bevestigde dat gegevens niet per se economische waarde hoeven te hebben voor afpersing.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had geoordeeld dat het oogmerk van de verdachte was om zich wederrechtelijk te bevoordelen, en dat het geweld en de bedreigingen dienden om het slachtoffer te weerhouden van toekomstige diefstal. Ook werd de bekentenis van de verdachte omtrent het bezit van MDMA-pillen als duidelijk en ondubbelzinnig beschouwd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor het indienen van stukken was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. De overige middelen van cassatie werden verworpen en het arrest werd vernietigd voor zover het de straf betreft, met vermindering van de opgelegde straf.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt de veroordeling voor afpersing zonder vereiste economische waarde van gegevens.