ECLI:NL:PHR:2012:BX6740
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling schuldheling wegens voorhanden hebben door misdrijf verkregen geldbedrag
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens schuldheling van een geldbedrag van €17.500 dat zij in december 2005 voorhanden had, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het om door misdrijf verkregen geld ging. Het hof baseerde zich op verklaringen van verdachte, bankafschriften en proces-verbalen waaruit bleek dat verdachte haar giropas en pincode aan een man met wie zij een korte relatie had had gegeven, die het geld vanuit het buitenland liet storten.
Verdachte haalde het geld in twee termijnen van haar rekening af en gaf dit vervolgens aan die man. Het hof concludeerde dat verdachte niet het gehele bedrag aan hem had afgedragen en daardoor een relatief fors voordeel had genoten, wat wijst op ernstige tekortkoming in haar onderzoeksplicht en daarmee aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
In cassatie werd aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld door misdrijf was verkregen. Dit middel werd verworpen omdat het hof een juiste rechtsopvatting had gehanteerd. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, wat tot strafvermindering moest leiden. De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging en verwees naar een lagere straf, terwijl het overige beroep werd verworpen.
Uitkomst: De strafoplegging wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het overige beroep wordt verworpen.