ECLI:NL:PHR:2012:BX6714
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt fiscale eenheid en art. 25 BRK toepassing bij dubbele vestiging en intra-eenheidsrente
De zaak betreft de fiscale behandeling van een concern bestaande uit vennootschappen die naar Nederlands recht zijn opgericht, waarbij de moedermaatschappij feitelijk op de voormalige Nederlandse Antillen was gevestigd en de dochters in Nederland. De discussie spitst zich toe op de fiscale eenheid en de toepassing van artikel 25 van Pro de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK), dat een verlaagd belastingtarief van 4% toekent aan houdstermaatschappijen met dubbele vestiging.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat de intra-eenheidsrentebetalingen fiscaal onzichtbaar zijn door de fiscale eenheid en dat de moedermaatschappij niet als houdstermaatschappij in de zin van artikel 25 BRK Pro kan worden aangemerkt. Tevens werd geoordeeld dat de Nederlandse belastingheffing over de rente niet in strijd is met het EU-recht, mede omdat de situatie een interne situatie binnen het Koninkrijk betreft.
In cassatie werden drie hoofdpunten aangevoerd: onjuiste kwalificatie als houdstermaatschappij, onjuiste toepassing van jurisprudentie (Sara Creek in spiegelbeeld) en strijd met EU-recht. De Hoge Raad bevestigt de eerdere uitspraken en oordeelt dat de fiscale eenheid leidt tot fiscale onzichtbaarheid van interne rentebetalingen, dat artikel 25 BRK Pro niet van toepassing is op een fiscale eenheid en dat de belastingheffing niet in strijd is met het EU-recht. De cassatieberoepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de cassatieberoepen ongegrond en bevestigt dat intra-eenheidsrentebetalingen fiscaal onzichtbaar zijn en artikel 25 BRK niet van toepassing is op houdstermaatschappijen binnen een fiscale eenheid.