ECLI:NL:PHR:2012:BV9652
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 9, lid 4, Wet belastingen van rechtsverkeer bij verkrijging van economische eigendom van erfpachtrechten
De zaak betreft de vraag of de verkrijging van een deel van de economische eigendom van langlopende erfpachtrechten op onroerende zaken, ingebracht in een commanditaire vennootschap, kwalificeert als een verkrijging in de zin van de Wet belastingen van rechtsverkeer (Wet BvR) en of de faciliteit van artikel 9, lid 4 Wet BvR daarop van toepassing is.
Belanghebbende bracht erfpachtrechten in de CV in, waarbij de juridische eigendom bij de beherende vennoot bleef en de economische eigendom bij de commanditaire vennoten, waaronder belanghebbende. In 2008 verwierf belanghebbende een extra belang in de CV, waardoor haar economische eigendom toenam. De vraag was of dit een terugverkrijging was waarop artikel 9, lid 4 Wet BvR van toepassing is, waardoor vermindering van overdrachtsbelasting zou gelden.
De Rechtbank en het Hof oordeelden dat artikel 9, lid 4 Wet BvR niet van toepassing is omdat de juridische eigendom van de erfpachtrechten niet bij belanghebbende lag en de economische eigendom niet volledig werd terugverkregen. De Hoge Raad stelt dat verkrijging van economische eigendom van langlopende erfpachtrechten wel een verkrijging van economische eigendom van de onroerende zaken inhoudt en dat de beperking van het neerwaartse risico niet uitsluit dat sprake is van economische eigendom. Echter, de faciliteit van artikel 9, lid 4 Wet BvR geldt alleen bij opeenvolgende verkrijging van juridische en economische eigendom door dezelfde persoon, wat hier niet aan de orde is.
Daarnaast is de verkrijging door natrekking van gebouwen geen verkrijging in de zin van de Wet BvR en valt dus niet onder artikel 9, lid 4 Wet BvR. De belanghebbende kan zich niet beroepen op een redelijke wetstoepassing om de faciliteit toe te passen bij terugverkrijging van economische eigendom als bij de eerste verkrijging geen overdrachtsbelasting was verschuldigd. Het beroep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat artikel 9, lid 4 Wet BvR niet van toepassing is op de verkrijging van economische eigendom van erfpachtrechten zonder opeenvolgende verkrijging van juridische eigendom.