ECLI:NL:PHR:2012:BV8246
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kennisvereiste voor ongeldigverklaring rijbewijs en verwerpt afwezigheid van alle schuld
De zaak betreft een verdachte die op 20 september 2008 met een ongeldig verklaard rijbewijs reed. Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) had op 14 maart 2008 een besluit genomen tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs, verzonden per aangetekende brief die retour kwam omdat deze niet was afgehaald. Verdachte ontkende kennis te hebben gehad van de ongeldigverklaring en voerde aan dat hij in onwetendheid handelde.
Het hof oordeelde dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Dit oordeel baseerde het hof op de verzending van de aangetekende brief, het ontbreken van een schorsende werking van het ingediende bezwaar tegen de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA), en het feit dat verdachte met bijstand van zijn raadsman handelde. Het hof verwierp het verweer van afwezigheid van alle schuld (avas).
In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte het verweer van afwezigheid van alle schuld had verworpen en onvoldoende had gemotiveerd waarom verdachte redelijkerwijs op de hoogte moest zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een begrijpelijke en voldoende gemotiveerde beslissing had gegeven, waarbij het verweer van verontschuldigbare dwaling niet slaagde. Het beroep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
De uitspraak benadrukt het belang van de kennisvereiste bij de ongeldigverklaring van rijbewijzen en stelt dat het niet afhalen van aangetekende post en het ontbreken van schorsende werking van bezwaar voldoende kunnen zijn om kennis aan te nemen. Dit betekent dat bestuurders zelf verantwoordelijk zijn voor het opvolgen van dergelijke beslissingen, ook als communicatie niet direct is ontvangen.
Uitkomst: Verdachte werd veroordeeld voor het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs, het verweer van afwezigheid van alle schuld werd verworpen.