ECLI:NL:PHR:2012:BV0614
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Betalingsopdrachten na faillietverklaring en de toepassing van artikel 52 Faillissementswet
De zaak betreft de vraag of een bank bevrijdend heeft betaald door na de faillietverklaring van een rekeninghouder betalingsopdrachten uit te voeren die betrekking hebben op een voor faillissement bestaande rekening-courantverhouding. De Hoge Raad bevestigt dat de verbintenis van de bank tot betaling pas ontstaat op het moment dat de rekeninghouder een concrete betalingsopdracht geeft, en niet reeds door het bestaan van een creditsaldo op de faillissementsdatum. Hierdoor is artikel 52 lid 1 Faillissementswet Pro niet van toepassing op betalingen die na faillietverklaring zijn uitgevoerd.
De curator vordert terugbetaling van bedragen die de bank heeft betaald op basis van onbevoegd gegeven betalingsopdrachten na faillietverklaring. De rechtbank wijst deze vordering toe en verwerpt de verweren van de bank, waaronder dat zij bevrijdend heeft betaald en dat zij zich op redelijkheid en billijkheid kan beroepen. De Hoge Raad bevestigt deze beoordeling en wijst ook het beroep op anticipatie van het Voorontwerp Insolventiewet af.
De Hoge Raad benadrukt het belang van het fixatiebeginsel, waarbij het verlies van beschikkingsbevoegdheid van de failliet terugwerkt tot 0.00 uur op de dag van faillietverklaring, en dat bescherming van de boedel en gezamenlijke schuldeisers prevaleert boven bescherming van derden die te goeder trouw betalingen verrichten na faillietverklaring. De bank kan haar vordering op de begunstigden verhalen, en de curator mag zelf bepalen tegen wie hij vordert. De rechtbank oordeelt terecht dat de vordering niet onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van ING en bevestigt dat de bank de betaalde bedragen op grond van onbevoegd gegeven betalingsopdrachten aan de boedel moet terugbetalen.