ECLI:NL:HR:2012:BV0614
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.C. van Oven
- C.A. Streefkerk
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Betalingsopdrachten na faillietverklaring en toepassing artikel 52 Faillissementswet
De zaak betreft een geschil tussen de curator van Balkbrugse Transport Onderneming B.V. (BTO) en ING Bank over de vraag of ING gehouden is een bedrag terug te betalen dat zij na de faillietverklaring van BTO heeft afgeschreven van de bankrekening van BTO. Op 28 maart 2008 werd het faillissement van BTO uitgesproken, waarna ING op verzoek van BTO betalingen uitvoerde die het saldo van de rekening negatief maakten.
De curator vorderde terugbetaling van het bedrag dat op de dag van faillietverklaring als creditsaldo op de rekening stond, met het argument dat BTO na faillissement niet meer over het tegoed kon beschikken en dat ING op grond van artikel 23 Faillissementswet Pro niet meer tot betaling bevoegd was. ING verweerde zich met een beroep op artikel 52 Faillissementswet Pro, stellende dat zij bevrijdend had betaald omdat de betalingsopdrachten bestonden uit een voor faillissement bestaande verbintenis.
De rechtbank wees de vordering toe en verwierp het beroep van ING op artikel 52 Fw Pro. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwijst naar een eerder arrest waarin is vastgesteld dat een verbintenis tot betaling pas ontstaat bij een concrete, door de bank aanvaarde betalingsopdracht. Het enkel bestaan van een creditsaldo impliceert geen verbintenis tot betaling. Daarom is artikel 52 Fw Pro niet van toepassing wanneer de betalingsopdrachten na faillissement worden gegeven.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van ING en veroordeelt ING in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van ING en bevestigt dat betalingen na faillissement op basis van nieuwe betalingsopdrachten niet onder artikel 52 Fw vallen.