ECLI:NL:PHR:2012:BP6667
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging terbeschikkingstelling en fiscale behandeling van landerijen in aanmerkelijkbelangregeling
Belanghebbende, houder van 63% van de aandelen in een BV, stelde landerijen en een boerderij ter beschikking aan deze BV. Na een meningsverschil werd de pachtovereenkomst ontbonden, maar de BV bleef de landerijen feitelijk gebruiken. De vraag was wanneer de terbeschikkingstelling eindigde en hoe de fiscale winst uit de verkoop moest worden behandeld.
De Rechtbank oordeelde dat de terbeschikkingstelling per 1 november 2001 was beëindigd, terwijl het Hof dit oordeel vernietigde en stelde dat de landerijen in 2001 nog tot het resultaatsvermogen behoorden omdat zij in afwachting van verkoop werden aangehouden. De Hoge Raad bevestigt dat de terbeschikkingstelling eindigt als deze zowel feitelijk als rechtens is beëindigd, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het leerstuk van vermogensetikettering niet van toepassing is op de terbeschikkingstellingsregeling, en dat de fiscale winstbepaling en het goed koopmansgebruik leidend zijn. De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nadere vaststelling van het moment waarop het feitelijke gebruik door de BV is geëindigd.
De uitspraak verduidelijkt dat het aanhouden van vermogensbestanddelen in afwachting van verkoop niet automatisch betekent dat deze naar privévermogen overgaan, en dat bij wijziging van de terbeschikkingstelling sprake kan zijn van een fiscale afrekening over stille reserves. De zaak bevat uitgebreide jurisprudentie en literatuur over de terbeschikkingstellingsregeling en de fiscale behandeling van gemengd gebruik en beëindiging van terbeschikkingstelling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere vaststelling van het feitelijke einde van de terbeschikkingstelling.