ECLI:NL:HR:2008:BG5988
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Vaststellingsovereenkomst en redelijkheid bij minnelijke taxatie van onroerende zaak
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting en een boete opgelegd, die na bezwaar door het Hof Arnhem werden verminderd. De kern van het geschil betrof de waarde van een onroerende zaak die belanghebbende wilde overbrengen naar zijn privévermogen. Een gezamenlijke taxatie door een belastingdiensttaxateur en een makelaar resulteerde in een waardering van ƒ 275.000, terwijl het pand later werd verkocht voor ƒ 415.000.
Het Hof oordeelde dat geen vaststellingsovereenkomst was gesloten, maar erkende dat belanghebbende mocht vertrouwen op de minnelijke taxatie. Het Hof vond echter dat het onredelijk was de Inspecteur aan de taxatiewaarde te houden, omdat de makelaar de taxateur niet had geïnformeerd over bezichtigingen en een bod van een geïnteresseerde koper.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd is en dat de enkele omstandigheid van het niet informeren over bezichtigingen onvoldoende is om van ernstige gebreken in de taxatiebeslissing te spreken. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Daarnaast constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure en wijst het Gerechtshof erop dit bij de strafmaat van de boete te betrekken. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.