ECLI:NL:PHR:2011:BR2830
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsverplichting wegens medeplegen fiscale en sociale zekerheidsfraude
De zaak betreft een ontnemingsprocedure tegen een betrokkene die in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf en een betalingsverplichting wegens medeplegen van diverse fiscale en sociale zekerheidsfraudezaken. De feiten betreffen onder meer het niet doen van aangiften loon- en omzetbelasting, het niet bijhouden van loonadministraties van Poolse werknemers, valsheid in geschrift en deelname aan een criminele organisatie.
De betrokkene en medeverdachten creëerden een schijnconstructie waarbij via valse koop- en verkoopovereenkomsten Poolse arbeidskrachten werden uitgeleend aan Nederlandse tuinders zonder de juiste premies werknemersverzekeringen af te dragen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd door het Hof vastgesteld als het verschil tussen het uurtarief dat de organisatie aan de Nederlandse tuinders in rekening bracht en het loon dat aan de Poolse werknemers werd uitbetaald, vermenigvuldigd met het aantal gewerkte uren.
De betrokkene stelde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte geen rekening had gehouden met een vordering van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) die in mindering gebracht zou moeten worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht heeft vastgesteld dat tegenover de vordering van het Lisv geen corresponderend voordeel voor de betrokkene bestaat, omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet bestaat uit niet-afgedragen premies werknemersverzekeringen.
De Hoge Raad verwierp ook het middel dat het proces-verbaal van de terechtzitting onjuist was, en bevestigde dat de behandeling plaatsvond op 3 november 2009. Hiermee faalden alle cassatiemiddelen en werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsverplichting van de betrokkene wordt bevestigd.