ECLI:NL:HR:2008:BB7108
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt ontnemingsuitspraak wegens onvoldoende motivering wederrechtelijk verkregen voordeel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd aan de betrokkene en drie anderen. Het hof had vastgesteld dat het voordeel bestond uit het verschil tussen het door de organisatie aan Nederlandse bedrijven in rekening gebrachte uurloon en het aan Poolse werknemers uitbetaalde loon, vermenigvuldigd met het aantal gewerkte uren, verminderd met kosten. Tevens werd een bedrag in mindering gebracht wegens reeds vastgestelde premienota's van het UWV.
De Hoge Raad stelt voorop dat artikel 36e, zesde lid, Sr beoogt te voorkomen dat hetzelfde voordeel meermalen wordt teruggevorderd. Het hof had geoordeeld dat de vordering van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) een in rechte toegekende schadevergoeding betrof die in mindering kon worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij zijn oordeel hetzij een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven, hetzij onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit het corresponderend voordeel bestaat, met name of het voordeel ook betrekking heeft op niet afgedragen premies werknemersverzekeringen.
Verder verklaart de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen. Het arrest vernietigt het hofarrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De zaak betreft medeplegen van valsheid in geschrift, deelname aan een criminele organisatie en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een schijnconstructie met Poolse arbeidskrachten.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest wegens onvoldoende motivering en verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in cassatie.