ECLI:NL:PHR:2011:BQ8099
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van verrekeningsregeling in huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
De man en vrouw zijn in december 2007 gehuwd en hebben huwelijkse voorwaarden opgesteld met een verrekeningsregeling voor het geval van echtscheiding. Artikel 6 bepaalt Pro dat bij echtscheiding op verzoek van de vrouw een vergoeding wordt berekend op basis van het huwelijk, en bij echtscheiding op verzoek van de man een vast bedrag van €500.000 verschuldigd is.
Na een huwelijk van tien maanden vroeg de man de echtscheiding aan, waarna de vrouw aanspraak maakte op de €500.000 vergoeding. De rechtbank stelde dit bedrag vast, maar het hof stelde de partneralimentatie lager vast en bevestigde de toewijzing van de vergoeding op grond van artikel 6, waarbij het de Haviltex-maatstaf hanteerde voor uitleg van het beding.
De man stelde in cassatie dat het hof ten onrechte zijn bewijsaanbod had gepasseerd en dat het beding onredelijk was, omdat het bedrag ook verschuldigd zou zijn als hij tegen de wil van de vrouw het huwelijk beëindigde. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het bewijsaanbod had gepasseerd omdat de man onvoldoende feiten had gesteld die een andere uitleg van het beding rechtvaardigen.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het beding duidelijk was geformuleerd en dat de vrouw erop mocht vertrouwen dat de letterlijke tekst van artikel 6 de Pro overeenkomst juist weergaf. De stelling dat het beding in strijd is met redelijkheid en billijkheid faalde omdat de man onvoldoende omstandigheden had gesteld die dat aannemelijk maakten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de man gehouden is tot betaling van €500.000 aan de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en hij blijft gehouden tot betaling van €500.000 aan de vrouw op grond van de huwelijkse voorwaarden.