ECLI:NL:PHR:2011:BQ6692

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04437 P
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f lid 1 onder 6 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij mensenhandel zonder compensatie wegens termijnoverschrijding

In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij veroordeelde een bedrag van € 10.250,- uit het persoonsgebonden budget van het slachtoffer had ontvangen. Het hof had geoordeeld dat dit bedrag onrechtmatig was verkregen omdat veroordeelde zich schuldig had gemaakt aan mensenhandel door misbruik te maken van zijn positie als hulpverlener en de kwetsbare positie van het slachtoffer.

De verdediging stelde dat het ontvangen bedrag een vergoeding was voor verleende zorg en niet als voordeel uit mensenhandel kon worden aangemerkt. Het hof verwierp dit verweer omdat de bewezen feiten aantoonden dat de zorgverlening was omgezet in uitbuiting, waarbij veroordeelde ook financieel profiteerde van het slachtoffer.

Daarnaast werd in cassatie geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad constateerde dat de termijnoverschrijding in deze ontnemingszaak en de samenhangende strafzaak had plaatsgevonden, maar dat compensatie in de strafzaak zou worden toegepast, zodat in deze ontnemingszaak geen aparte compensatie werd toegekend.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde het oordeel van het hof. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het arrest. Hiermee blijft de ontnemingsmaatregel van kracht en wordt de overschrijding van de redelijke termijn erkend zonder extra compensatie in deze procedure.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van € 10.250,- blijft van kracht ondanks overschrijding van de redelijke termijn zonder compensatie in deze zaak.

Conclusie

Nr. 09/04437 P
Mr. Silvis
Zitting: 24 mei 2011
Conclusie inzake:
[Veroordeelde = betrokkene](1)
1. Bij arrest van 6 oktober 2009 heeft het gerechtshof te Leeuwarden, aan veroordeelde de plicht opgelegd om een bedrag van € 10.250,- aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
2. Namens veroordeelde heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het hof dat veroordeelde in de periode 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 ten onrechte een vergoeding van € 10.250,- uit het persoonsgebonden budget ten behoeve van [slachtoffer] heeft ontvangen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat dat oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
4. Het bestreden arrest houdt in, voor zover hier van belang:
"Veroordeelde heeft aldus gedurende de bewezen verklaarde periode het Persoonsgebonden Budget (PGB) van aangeefster geïncasseerd. Veroordeelde heeft dit bedrag, gezien de bewezenverklaarde feiten in de onderliggende strafzaak, ten onrechte ontvangen.
Het standpunt van de verdediging dat veroordeelde in deze periode zorg heeft verleend verwerpt het hof nu veroordeelde dit bedrag heeft verkregen uit het misdrijf waar hij voor veroordeeld is."
5. Gesteld wordt dat het door verdachten ontvangen bedrag van € 10.250,- uit het persoonsgebonden budget geen voordeel is uit de ten laste van verdachte bewezenverklaarde mensenhandel, maar een vergoeding voor de door hem verleende zorg. Dat achteraf de zorgverlening (mogelijk) onder de maat is geweest en/of veroordeelde onvoldoende professionele distantie in acht heeft genomen, zou niet kunnen leiden tot het oordeel dat dat bedrag als voordeel uit mensenhandel dient te worden aangemerkt.
6. Het hof heeft in de strafzaak vastgesteld dat veroordeelde zich in de bewezenverklaarde periode schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel nu hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als hulpverlener en van de kwetsbare positie van [slachtoffer] door onder meer de volledige controle over haar financiën te nemen. Veroordeelde heeft met dwangmiddelen, in het bijzonder door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie van een hem in het kader van hulpverlening toevertrouwde cliënte, haar bewogen tot arbeid en diensten waaronder seksuele contacten met hem en anderen. Nadat veroordeelde een kader van uitbuiting had geschapen waarin redelijkerwijs niet meer van hulpverlening aan de hem als cliënte toevertrouwde kwetsbare vrouw gesproken kon worden heeft hij geld uit het personeelsgebonden budget van haar ontvangen. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte door het door [slachtoffer] aan hem afgestane bedrag uit het personeelsgebonden budget, in de periode waarin de bewezen uitbuiting plaatsvond, daardoor ook opzettelijk financieel profiteerde van haar kwetsbare positie.(2) Aldus begrepen en bezien in samenhang met overige vaststellingen aangaande de financiële gang van zaken geeft het oordeel van het hof dat hij door het bewezen delict dat geld als wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt.
7. Het tweede middel klaagt terecht dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden nu tussen het instellen van cassatie en het insturen van het dossier naar de griffie van de Hoge Raad te veel tijd is verstreken. Het cassatieberoep is ingesteld op 9 oktober 2009. Veroordeelde verbleef op dat moment in voorlopige hechtenis in verband met de onderhavige zaak. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 27 mei 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendtermijn van zes maanden is overschreden. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de redelijke termijn eveneens overschreden in de cassatiefase. De compensatie, waartoe de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, kan worden toegepast in de hoofdzaak zodat in de onderhavige zaak kan worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.(3)
8. Het eerste middel faalt. De gegrondheid van het tweede middel hoeft niet tot cassatie te leiden.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Deze zaak hangt samen met de strafzaak van veroordeelde met nummer 09/04436 waarin ik heden eveneens concludeer.
2 Ik merk op dat In art. 273f lid 1 onder 6 Sr het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander ook als zodanig strafbaar is gesteld.
3 Vgl. HR 16 november 2010, LJN BN8046 en HR 12 mei 2009, LJN BI3557.