ECLI:NL:PHR:2011:BQ5147
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg schikking en loonvordering na ontbinding arbeidsovereenkomst
Eiser trad in 1999 in dienst bij G&M en werd in 2002 op staande voet ontslagen. Hij startte een procedure om het ontslag onrechtmatig te verklaren en loon door te betalen. Tijdens een zitting in 2003 sloten partijen een schikking waarbij het ontslag werd ingetrokken, het ontbindingsverzoek werd aangepast en de arbeidsovereenkomst per 18 april 2003 werd ontbonden met een vergoeding van twee bruto maandsalarissen. Tevens werd de loonvorderingsprocedure geroyeerd.
Eiser startte later een nieuwe procedure voor betaling van loon over de periode van ontslag tot ontbinding, stellende dat de schikking dit niet uitsloot. G&M stelde dat de vergoeding finale kwijting betrof. De kantonrechter oordeelde dat G&M moest bewijzen dat finale kwijting was overeengekomen en oordeelde in het voordeel van G&M. Het hof bekrachtigde dit oordeel, stellende dat de loonvordering was laten rusten en dat eiser afstand had gedaan.
In cassatie betwist eiser dat de kantonrechter een vertrekpunt voor afstand van loon heeft voorgesteld en dat het hof de schikking onjuist heeft uitgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom afstand van loon onderdeel was van de schikking en dat de uitleg van het hof niet onbegrijpelijk is. Ook is de toepassing van de Haviltex-maatstaf correct geweest. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de loonvordering is afgewezen wegens finale kwijting in de schikking.