ECLI:NL:HR:2011:BQ5147

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/00205
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:628 lid 1 BWArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van schikkingsovereenkomst inzake loonbetaling in arbeidsrechtelijke vordering

In deze zaak stond een vordering tot betaling van loon centraal, gebaseerd op artikel 7:628 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De kern van het geschil betrof de uitleg van een eerder tussen partijen overeengekomen schikking.

De procedure begon bij de kantonrechter te 's-Gravenhage met vonnissen van 26 mei 2004 en 10 november 2004, waarna het gerechtshof te 's-Gravenhage op 16 februari 2007 een arrest wees. Tegen dit arrest stelde eiser beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het beroep van eiser verworpen, waarbij werd overwogen dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie. De beslissing is genomen zonder nadere motivering, gelet op artikel 81 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat de klachten niet relevant zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

Eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2011.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

20 mei 2011
Eerste Kamer
07/00205
EV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
G&M CONTRACTORS B.V.,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. R.F. Thunnissen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en G&M.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 381339\RL EXPL 03-21818 van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 26 mei 2004 en 10 november 2004;
b. het arrest in de zaak met rolnummer 05/254 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 februari 2007.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
G&M heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 februari 2011 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van G&M begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op
20 mei 2011.