ECLI:NL:PHR:2011:BP8704
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijslastverdeling bij geschil over lening of schenking ter financiering van voormalige echtelijke woning
Partijen, voormalig echtelieden, zijn in geschil over de verdeling van de boedel na echtscheiding, met name over de vraag of het bedrag waarmee de voormalige echtelijke woning is gefinancierd een lening of een schenking betreft.
De vrouw stelt dat het bedrag een schenking is, terwijl de man betwist dat er sprake is van een schenking en stelt dat het een lening betreft die nog niet volledig is afgelost. De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat het bedrag als lening moet worden beschouwd, waarbij de vrouw de bewijslast draagt om aan te tonen dat het om een schenking gaat.
De Hoge Raad bevestigt dat de bewijslast voor het aantonen van het schenkingskarakter op de vrouw rust en dat het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door dit oordeel te geven. De klachten van de vrouw over de bewijslastverdeling en het oordeel van het hof worden verworpen. De waardering van het bewijs is aan de feitenrechter en kan in cassatie niet worden getoetst.
De Hoge Raad wijst ook op eerdere jurisprudentie en de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro omtrent bewijslastverdeling, en benadrukt dat het hof zijn oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht geoordeeld dat de bewijslast voor het aantonen van een schenking op de vrouw rust.