ECLI:NL:HR:2011:BP8704

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04789
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt verdeling huwelijksvermogen na echtscheiding betreffende gemeenschappelijke woning

Deze zaak betreft een geschil tussen voormalig echtelieden over de verdeling van het huwelijksvermogen na hun echtscheiding, specifiek over de vraag of het bedrag waarmee de gemeenschappelijke woning is gekocht, is verkregen uit hoofde van een geldlening of een schenking.

De procedure begon bij de rechtbank Rotterdam met meerdere vonnissen, waarna het gerechtshof te 's-Gravenhage op 11 augustus 2009 uitspraak deed. De vrouw stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De man concludeerde tot verwerping van het beroep.

De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat de klachten geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.

De Hoge Raad verwierp het beroep van de vrouw en veroordeelde haar in de kosten van het cassatiegeding, waarmee de uitspraak definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof over de verdeling van het huwelijksvermogen.

Uitspraak

10 juni 2011
Eerste Kamer
09/04789
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. E. Grabandt, thans mr. J.P. Heering en mr. I.E. Reimert,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 241257/HA ZA 05-1860 van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2005, 6 december 2006, 4 april 2007 en 6 augustus 2008;
b. het arrest in de zaak 200.014.102 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 augustus 2009.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op € 333,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 juni 2011.