ECLI:NL:PHR:2011:BP8686
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid voor onrechtmatige frustratie van invordering kapitaalsbelasting
In deze zaak staat de aansprakelijkheid van MeesPierson Trust B.V. (MPT) als bestuurder van Hilltop B.V. centraal, wegens het niet voldoen aan fiscale verplichtingen rond kapitaalsbelasting. Hilltop had aandelen in Duitse GmbH's ingebracht en later verkocht, waarbij een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting werd opgelegd. De Ontvanger stelde MPT aansprakelijk wegens onrechtmatige daad, omdat zij naliet zorg te dragen dat Hilltop aan haar fiscale verplichtingen kon voldoen.
De rechtbank en het hof oordeelden dat MPT als bestuurder een ernstig verwijt treft en aansprakelijk is voor de door de Ontvanger geleden schade. MPT stelde cassatie in tegen dit oordeel, onder meer betwistend dat zij de materiële belastingschuld niet mocht betwisten en dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld.
De Hoge Raad bevestigt dat de Ontvanger een vordering kan instellen tegen een derde die het verhaal van een belastingschuld illusoir maakt, maar dat de omvang van de te vergoeden schade niet zonder meer gelijk is aan de aanslag, maar aan het bedrag van de materiële belastingschuld. Ook is het van belang of de bestuurder een ernstig persoonlijk verwijt treft, waarbij onder meer de voorzienbaarheid van de fiscale verplichtingen en de mate van zorgvuldigheid worden meegewogen.
De Hoge Raad oordeelt verder dat MPT als trustdirecteur dezelfde zorgvuldigheidsplichten heeft als andere bestuurders en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom MPT niet mocht afgaan op de advisering van Arthur Andersen. Ook is het oordeel dat Hilltop alleen over de verkoopopbrengst kon beschikken onvoldoende gemotiveerd, gelet op de stellingen dat de aandeelhouder voor financiering zou zorgen. Het beroep op matiging van de schadevergoeding wegens het geringe honorarium wordt verworpen, omdat dit geen reden is voor minder verstrekkende aansprakelijkheid.
De zaak benadrukt de hoge lat voor bestuurdersaansprakelijkheid, waarbij een ernstig persoonlijk verwijt vereist is en de omvang van de materiële belastingschuld bepalend is voor de schadevergoeding. Tevens wordt het belang van adequate rechtsbescherming van bestuurders en de mogelijkheid tot toetsing van de aanslag in civiele procedure onderstreept.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurder voor onrechtmatige daad, maar verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van materiële belastingschuld en advisering.