ECLI:NL:PHR:2011:BP2312
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst en appelverbod bij ontbindingsdatum na opzegging
In deze zaak staat centraal of de kantonrechter een arbeidsovereenkomst kan ontbinden tegen een datum die ligt na de datum waarop de arbeidsovereenkomst reeds is geëindigd door opzegging van de werkgever met toestemming van het UWV. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden tegen 16 september 2009, terwijl de arbeidsovereenkomst door opzegging al per 1 september 2009 eindigde.
De Hoge Raad bevestigt dat de ontbinding geldig is zolang de arbeidsovereenkomst op het moment van de ontbindingsbeschikking nog bestond. Het feit dat de arbeidsovereenkomst later door opzegging eindigde, tast de geldigheid van de ontbinding niet aan. Dit betekent dat de kantonrechter artikel 7:685 BW Pro correct heeft toegepast en dat het appelverbod van lid 11 van dat artikel niet doorbroken kan worden op grond van deze omstandigheid.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het niet-motiveren van een verzoek om een tussenbeschikking geen grond is om het appelverbod te doorbreken, aangezien motiveringsklachten daarvoor niet toereikend zijn. Ook wordt benadrukt dat het aanwenden van een rechtsmiddel tegen een uitspraak die door wettelijke bepalingen is uitgesloten, niet mogelijk is, ook niet als zich na de uitspraak feiten voordoen die het effect van die uitspraak beïnvloeden.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de beschikking van het hof Amsterdam die het hoger beroep had verworpen, in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het appelverbod van artikel 7:685 lid 11 BW bevestigd.