ECLI:NL:PHR:2011:BO9563
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bekrachtiging vervangende toestemming erkenning kind ondanks bezwaren moeder
In deze zaak gaat het om het verzoek van de man tot erkenning van zijn kind, waarvoor de rechtbank Amsterdam op grond van art. 1:204 lid 3 BW Pro vervangende toestemming heeft verleend. De moeder heeft hiertegen beroep ingesteld, stellende dat zij ernstige psychische spanningen ervaart en dat de belangen van het kind onvoldoende worden beschermd.
Het hof Amsterdam heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij het belang van de man bij erkenning zwaarder werd geacht dan het belang van de moeder bij het achterwege blijven daarvan. Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de psychische spanningen van de moeder, maar vond de door haar aangevoerde feiten onvoldoende onderbouwd om de erkenning te weigeren.
De moeder voerde aan dat de beslissing aangehouden had moeten worden totdat het kind zelf kan kiezen, en dat de bijzondere curator onvoldoende rekening houdt met de belangen van het kind. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof de belangenafweging zorgvuldig heeft gemaakt, rekening houdend met de onomkeerbaarheid van de erkenning en de eisen van art. 8 EVRM Pro.
De Hoge Raad constateert dat de klachten van de moeder geen feitelijke grondslag hebben en dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het belang van de verwekker niet zo zwaar kan wegen dat het belang van de moeder of het kind onevenredig wordt geschaad. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de bekrachtiging van de vervangende toestemming tot erkenning blijft gehandhaafd.