ECLI:NL:PHR:2011:BO2914
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid OM bij vervolging van vreemdeling met valse papieren en toepassing artikel 31 Vluchtelingenverdrag
De zaak betreft de vervolging van een verdachte die op Schiphol werd betrapt met een vals Syrisch paspoort. De verdachte had verklaard via Irak, Syrië, Turkije en Griekenland naar Nederland te zijn gekomen en had op de dag van zijn verhoor een asielverzoek ingediend. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk omdat niet was afgewacht of de verdachte aanspraak kon maken op bescherming onder artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag, dat vluchtelingen beschermt tegen strafrechtelijke sancties wegens illegale binnenkomst.
De Hoge Raad bevestigt dat het OM slechts met grote terughoudendheid mag vervolgen zolang de vluchtelingenstatus niet duidelijk is. De bewijslast ligt in beginsel bij de staat om aan te tonen dat de verdachte geen vluchteling is. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat het OM niet ontvankelijk is als niet evident is dat de verdachte zich niet op artikel 31 kan Pro beroepen.
De Hoge Raad benadrukt dat het Vluchtelingenverdrag een beschermingsfunctie heeft en dat nationale procedures de last niet eenzijdig bij de vreemdeling mogen leggen. Het verdrag beschermt vluchtelingen vanaf het moment dat zij aan de criteria voldoen, ongeacht formele erkenning. Het OM moet dus zorgvuldig afwegen voordat het overgaat tot vervolging van vreemdelingen die asiel aanvragen en mogelijk vluchteling zijn.
De conclusie van de AG is dat het beroep van het OM wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd. Dit arrest onderstreept het belang van bescherming van vluchtelingen in strafrechtelijke procedures en de noodzaak van een zorgvuldige ontvankelijkheidstoets door het OM.
Uitkomst: Het OM is niet ontvankelijk in de vervolging omdat niet evident is dat de verdachte zich niet op artikel 31 Vluchtelingenverdrag kan beroepen.