ECLI:NL:PHR:2010:BM4426
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor medeplegen belastingfraude en valsheid in geschrift ondanks vormverzuimen en schending redelijke termijn
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van opzettelijk onjuiste belastingaangiften, het niet voeren en bewaren van een administratie conform de belastingwet, valsheid in geschrift en deelname aan een organisatie met het oogmerk misdrijven te plegen. Het hof had verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan drie voorwaardelijk, en een geldboete van € 25.000.
De verdediging voerde onder meer aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens onrechtmatig verkregen bewijs tijdens het preplanningsonderzoek van de belastingdienst. Zij stelden dat verdachte al bij aanvang van het onderzoek als verdachte had moeten worden aangemerkt en dat de belastingdienst misbruik had gemaakt van haar controlebevoegdheden. Ook werd gesteld dat het proces niet eerlijk was verlopen door het achterhouden van stukken en dat sprake was van schending van het beginsel van een eerlijk proces.
Het hof oordeelde echter dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond bij de start van het preplanningsonderzoek, waardoor de cautie niet verplicht was. Er was geen sprake van misbruik van bevoegdheden of onrechtmatig bewijs. Ook werden de vormverzuimen niet als zodanig aangemerkt dat deze tot niet-ontvankelijkheid of strafvermindering moesten leiden. Het hof stelde vast dat de strafbare feiten structureel en georganiseerd binnen het concern werden gepleegd en dat het plegen van misdrijven een nevendoel was van de organisatie.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Hij overwoog dat de vaststellingsovereenkomst met de belastingdienst als uitgangspunt mocht dienen voor het bepalen van het fiscale nadeel en dat extrapolatie en brutering in dit kader geoorloofd waren. Daarnaast werd erkend dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, hetgeen aanleiding gaf tot strafvermindering. De middelen van cassatie werden afgewezen, en de strafvermindering werd toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie voorwaardelijk, en een geldboete van € 25.000, met strafvermindering wegens termijnoverschrijding.