ECLI:NL:HR:2010:BM4426
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
In deze zaak heeft de verdachte cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafoplegging, met vermindering van de straf, en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest alleen voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot elf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot de strafvermindering. De overige middelen van cassatie zijn niet ontvankelijk en behoeven geen nadere motivering.
De uitspraak is gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken op 21 december 2010.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot elf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens overschrijding van de redelijke termijn.