ECLI:NL:PHR:2010:BM4379
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over schending redelijke termijn en strafoplegging bij mensenhandelzaak
De zaak betreft een mensenhandelzaak waarbij verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. De behandeling van de zaak kende aanzienlijke vertragingen, met name in hoger beroep, door onder andere het horen van getuigen via rogatoire commissies in Brazilië. De verdediging voerde niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad stelt vast dat de vertraging in eerste aanleg niet leidt tot schending van de redelijke termijn, mede omdat de verdediging zelf aanhoudingen verzocht. Wel is in hoger beroep sprake van een schending, maar deze is minder dan twaalf maanden. De vertragingen worden deels toegerekend aan de complexiteit van de zaak en de noodzakelijke internationale samenwerking.
Verder is het beroep op bewijsuitsluiting wegens de wijze van getuigenverhoren niet gegrond, aangezien geen wettelijke voorschriften zijn geschonden en de verdediging geen concreet bezwaar in feitelijke aanleg heeft gemaakt. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de strafoplegging passend heeft gemotiveerd, rekening houdend met de ernst van het misdrijf en het tijdsverloop.
De conclusie is dat het eerste middel slaagt, wat leidt tot strafvermindering, terwijl de overige middelen worden verworpen. Er is geen aanleiding tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: De straf wordt verminderd vanwege schending van de redelijke termijn in hoger beroep, zonder vernietiging van het arrest.