ECLI:NL:PHR:2010:BL4078
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verrekenbeding en waardering te verrekenen vermogen bij echtscheiding
De zaak betreft de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden tussen een man en vrouw die in 1981 zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een verrekenbeding. Na het einde van hun gemeenschappelijke huishouding in 1998 en de echtscheiding in 2006 ontstond discussie over de verrekening van overgespaarde inkomsten en vermogen, waaronder aandelen in diverse vennootschappen.
De vrouw vorderde verrekening van een aanzienlijk bedrag op basis van een taxatierapport, terwijl de man slechts summier verweer voerde en onvoldoende stukken overlegde om het vermogen op de peildatum vast te stellen. Het hof stelde de peildatum vast op het einde van de gemeenschappelijke huishouding en oordeelde dat het vermogen vermoedelijk bestond uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij anders uit redelijkheid en billijkheid voortvloeit.
De Hoge Raad bevestigde dat het wettelijk bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW Pro geldt en dat de man onvoldoende bewijs leverde om dit te weerleggen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof niet onbegrijpelijk had gekozen voor een globale schatting van het te verrekenen vermogen en dat het hof ten onrechte het verzoek van de man tot verrekening van een bedrag uit de leveringsakte van de woning buiten beschouwing had gelaten. De zaak werd vernietigd en deels zelf afgedaan door vermindering van het te betalen bedrag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en vermindert het te verrekenen bedrag met €40.350,- wegens onjuiste afwijzing van verrekening uit de leveringsakte.