ECLI:NL:PHR:2010:BL2226
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belang van pleegzorg en hoorrecht minderjarige onder 12 jaar
Deze zaak betreft een geschil over de voogdij en plaatsing van een minderjarige dochter jonger dan 12 jaar in een pleeggezin. Na het overlijden van de moeder werd de stichting belast met de voogdij en werd de dochter in een pleeggezin geplaatst. Familieleden van moederszijde betwistten deze beslissing en verzochten om benoeming van voogdij binnen de familie en herplaatsing.
Het hof bevestigde de voogdij bij de stichting en het verblijf in het pleeggezin, waarbij het belang van de dochter werd meegewogen, inclusief haar behoefte aan rust en stabiliteit. De dochter was jonger dan 12 jaar en er werd geoordeeld dat zij niet verplicht persoonlijk gehoord hoefde te worden, aangezien haar belangen werden behartigd door een bijzonder curator en andere vertegenwoordigers.
De Hoge Raad bevestigde dat op grond van art. 12 IVRK Pro en art. 809 Rv Pro. het horen van een minderjarige onder 12 jaar niet verplicht is, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Het hof had voldoende gemotiveerd waarom het afzag van het horen van de dochter en had de belangen van het kind adequaat gewogen. Ook was een deskundigenonderzoek niet noodzakelijk. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de voogdij blijft bij de stichting en de minderjarige hoeft niet persoonlijk gehoord te worden.