ECLI:NL:PHR:2010:BK2007
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toegang tot aantekeningen van secretaris in arbitrageprocedure niet afdwingbaar
In deze zaak stond centraal of procespartijen de aantekeningen van de secretaris van een scheidsgerecht, gemaakt tijdens een arbitrale hoorzitting, kunnen opeisen. Het geschil betrof een arbitrageprocedure over de vergoeding van werkzaamheden bij de bouw van een petrochemische installatie.
Het hof had geoordeeld dat [verweerster] op grond van art. 7:403 BW Pro en art. 843a Rv. redelijkerwijs kon verlangen dat zij een afschrift van deze aantekeningen zou ontvangen, omdat deze mede in het kader van de arbitrageopdracht waren gemaakt en een rechtmatig belang bestond. De Hoge Raad stelt echter dat de aantekeningen van de secretaris persoonlijke, vertrouwelijke notities zijn die niet onder de informatie- en verantwoordingsplicht van art. 7:403 BW Pro vallen, tenzij partijen daarover anders zijn overeengekomen.
Voorts benadrukt de Hoge Raad dat art. 843a Rv. slechts toepassing vindt op bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking en dat het rechtmatig belang van de verzoeker zwaar moet wegen. In dit geval is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door te veronderstellen dat de aantekeningen in opdracht van partijen zijn gemaakt en dat afgifte de regel is, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor heroverweging.
De uitspraak benadrukt de vertrouwelijkheid van arbitrale procedures en de ruime beleidsvrijheid van arbiters, waarbij persoonlijke aantekeningen van de secretaris niet zonder meer aan partijen hoeven te worden verstrekt. Dit beschermt het geheim van de raadkamer en de integriteit van de arbitrageprocedure.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug, waarbij wordt bevestigd dat de aantekeningen van de secretaris niet zonder meer aan partijen hoeven te worden verstrekt.