ECLI:NL:PHR:2010:BH9198
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toerekening van inkomen uit terbeschikkingstelling bij in gemeenschap van goederen gehuwden
In deze zaak stond centraal de vraag aan wie het inkomen uit een vordering, die valt onder de terbeschikkingstellingsregeling van artikel 3.92, lid 1, onderdeel a, Wet IB 2001, moet worden toegerekend bij echtgenoten gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Belanghebbende had een vordering op zijn B.V. die in 2002 was afgewaardeerd. De Inspecteur corrigeerde de aftrek, waarna de rechtbank oordeelde dat het resultaat aan de bestuursbevoegde echtgenoot toekomt.
De staatssecretaris stelde cassatie in met het middel dat de rechtbank ten onrechte de bestuursbevoegdheid als criterium hanteerde en dat het inkomen gelijkelijk aan beide echtgenoten moet worden toegerekend. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'genieten' van inkomen in de Wet IB 2001 dezelfde betekenis heeft als onder de Wet IB 1964, waarbij jurisprudentie stelt dat het beslissend is wie bestuursbevoegd is over het vermogensbestanddeel.
De Hoge Raad bevestigde dat het resultaat uit terbeschikkingstelling moet worden toegerekend aan degene die daadwerkelijk over het vermogensbestanddeel kan beschikken, conform de bestuursregeling van artikel 1:97 BW Pro. Dit betekent dat bij een vordering op naam van een echtgenoot en bestuursbevoegdheid bij die echtgenoot, het resultaat volledig aan hem toekomt. De civielrechtelijke gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap is geen aanknopingspunt voor een 50/50-toerekening.
De uitspraak sluit aan bij eerdere arresten waarin bestuursbevoegdheid leidend is voor toerekening van inkomsten uit vermogen en ondernemingsvermogen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde de rechtsregel dat bestuursbevoegdheid bepalend is voor de fiscale toerekening van inkomsten uit terbeschikkingstelling binnen een huwelijksgemeenschap.
Uitkomst: Het resultaat uit terbeschikkingstelling wordt volledig toegerekend aan de bestuursbevoegde echtgenoot.