ECLI:NL:PHR:2009:BJ7827
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verdeling huwelijksgoederengemeenschap en bewijslevering bij late feitenaanvoer
De zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen een vrouw en een man na hun echtscheiding, met geschillen over de toedeling van het woonhuis met praktijkruimte en twee vakantiehuisjes. De vrouw vorderde onder meer toedeling van de woning en betaling van de helft van de netto verhuuropbrengst van de vakantiehuisjes. De man voerde verweer en stelde dat de verhuuropbrengsten reeds waren teruggevloeid.
De rechtbank wees de woning toe aan de vrouw onder vergoeding van de helft van de overwaarde aan de man en bepaalde dat de hypotheekleningen aan de vrouw werden toegedeeld. Over de vakantiehuisjes werd bepaald dat de netto verkoopopbrengst gelijk verdeeld zou worden, maar de vrouw moest bewijs leveren van haar stelling dat zij niet de helft van de verhuuropbrengst had ontvangen. De vrouw zag af van bewijslevering en haar vordering werd afgewezen.
In hoger beroep wijzigde de vrouw haar eis en stelde nieuwe feiten aan de orde in incidenteel appel, waarop het hof oordeelde dat deze te laat waren ingebracht en daarom niet in aanmerking konden worden genomen. Het hof ging bij de verdeling van de vakantiehuisjes uit van de berekening van de man, omdat de vrouw onvoldoende stukken had overgelegd en niet had meegewerkt aan het benoemen van een deskundige.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen deze beslissingen, waarbij zij betoogde dat het hof ten onrechte haar nieuwe feiten niet had toegelaten en dat het oordeel over de berekening onvoldoende was gemotiveerd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep, bevestigde de rechtspraak dat late feiten in hoger beroep terzijde kunnen worden gelegd om de goede procesorde te waarborgen, en vond het oordeel van het hof over de berekening begrijpelijk gemotiveerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.