ECLI:NL:PHR:2009:BJ7539
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige daad en stelplicht bij schadestaatprocedure na beëindiging dienstbetrekking door onrechtmatige uitlatingen
Eiser was werkzaam bij verschillende financiële instellingen en werd geconfronteerd met onrechtmatige uitlatingen van de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), later de stichting AFM, die leidden tot beëindiging van zijn dienstverband bij [A]. De rechtbank oordeelde dat de STE onrechtmatig had gehandeld en veroordeelde tot schadevergoeding, maar stelde vast dat eiser zijn schade onvoldoende had onderbouwd.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel en benadrukte dat eiser zijn stelplicht met betrekking tot de omvang van de schade en het oorzakelijk verband niet had vervuld. De Hoge Raad overwoog dat hoewel de rechter bij schadebegroting enige vrijheid heeft, eiser toch voldoende feiten en omstandigheden moet stellen om de schade aannemelijk te maken.
De Hoge Raad concludeert dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn werkelijk genoten inkomsten en het vergelijkingsinkomen, waardoor het hof terecht zijn vordering heeft afgewezen. Ook de vordering tot vergoeding van immateriële schade faalt wegens gebrek aan onderbouwing. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing van de schade en het oorzakelijk verband door eiser.