ECLI:NL:PHR:2009:BJ3577
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel op basis van wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstallen en soortgelijke feiten
In deze zaak stond de ontnemingsmaatregel centraal, waarbij de veroordeelde werd verplicht een bedrag van ruim €169.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat te betalen. Het hof had het voordeel vastgesteld op basis van bewezen diefstallen uit auto's en soortgelijke feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestonden dat de veroordeelde deze had gepleegd.
De verdediging voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte voordeel toerekende op basis van soortgelijke feiten zonder dat de veroordeelde daarvoor was veroordeeld, verwijzend naar het arrest Geerings van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende aanwijzingen had vastgesteld en dat het bewijs van schuld aan soortgelijke feiten volgens de wet en het EVRM toereikend was.
Verder werd de berekeningsmethode van het wederrechtelijk verkregen voordeel besproken, waarbij het hof een klassieke methode per delict hanteerde en de kasopstelling als aanvullende aanwijzing gebruikte. De Hoge Raad verwierp de klachten over de motivering en de wijze van bewijswaardering.
De Hoge Raad bevestigde dat de ontnemingsmaatregel rechtmatig was opgelegd en dat het hof de bewijslast en motivering adequaat had behandeld. Het beroep van de verdediging werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel en verplicht de veroordeelde tot betaling van €169.084,65 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.