ECLI:NL:PHR:2009:BJ1249
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aanvang verzettermijn en daad van bekendheid bij verstekvonnis
In deze zaak staat centraal de vraag wanneer de verzettermijn tegen een verstekvonnis aanvangt, met name of een daad van bekendheid in de zin van artikel 143 lid 2 Rv Pro is gepleegd. Tulip Computers International B.V. had Bangladesh gedagvaard wegens niet-nakoming van een contract en verkreeg verstekvonnis. Bangladesh stelde verzet in, maar dit werd door de rechtbank en het hof niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzettermijn.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de voorwaarden waaronder een daad van bekendheid kan worden aangenomen. Het hof had geoordeeld dat de fax van de Bengaalse ambassade en een 'note' in een Schotse exequaturprocedure handelingen waren die aan Bangladesh konden worden toegerekend als een daad van bekendheid. De Hoge Raad bevestigt dat dergelijke handelingen, ook indien verricht door een procureur in rechte, aan de veroordeelde kunnen worden toegerekend en dat de verzettermijn daardoor aanvangt.
De Hoge Raad benadrukt dat de daad van bekendheid naar buiten kenbaar moet zijn en dat de bekendheid met de hoofdinhoud van het vonnis ondubbelzinnig uit de daad moet volgen. De enkele kennis van het vonnis of het toezenden daarvan is onvoldoende. Verder is niet vereist dat de veroordeelde het vonnis zelf gelezen heeft, maar wel dat hij weet op vordering van wie, waartoe, wanneer en door welk gerecht hij is veroordeeld.
Het cassatieberoep van Bangladesh wordt verworpen, waarmee het oordeel van het hof dat Bangladesh niet tijdig verzet heeft ingesteld, standhoudt. Hiermee wordt bevestigd dat de verzettermijn kan beginnen door handelingen in rechte die aan de veroordeelde zijn toe te rekenen, ook indien deze in een buitenlandse procedure plaatsvinden.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Bangladesh wordt verworpen; het verzet tegen het verstekvonnis is niet tijdig ingesteld.