ECLI:NL:PHR:2009:BI0481
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over voordelen uit verkoop van appartementsrechten en normaal vermogensbeheer
Belanghebbende, voormalig directeur en aandeelhouder van vastgoedvennootschappen, verkocht in de jaren 1999-2001 appartementen die hij in verhuurde staat had gekocht en later onverhuurd verkocht na splitsing in appartementsrechten. De inspecteur rekende de behaalde voordelen tot het belastbaar inkomen op grond van artikel 22 Wet Pro IB 1964 en artikel 3.90 Wet IB 2001. Het Hof oordeelde dat de activiteiten van belanghebbende normaal vermogensbeheer te boven gingen, mede vanwege het gebruik van makelaars en notaris, financiering met vreemd vermogen en de herhaling van transacties binnen korte tijd.
De Hoge Raad bevestigt dat het rendabel maken van onroerende zaken meer dan normaal vermogensbeheer kan zijn indien de arbeid van de eigenaar gericht is op het behalen van voordelen die het normale rendement overstijgen. Het enkele feit dat belanghebbende geen actief huurbeëindigingsbeleid voerde, sluit niet uit dat er meer dan normaal vermogensbeheer is. Echter, het Hof heeft nagelaten de omvang van de werkzaamheden bij de splitsing in appartementsrechten vast te stellen, waardoor het oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof en verwijst de zaak voor hernieuwd onderzoek naar het gerechtshof. De uitspraak benadrukt dat de criteria voor het te boven gaan van normaal vermogensbeheer onder de Wet IB 2001 niet zijn verruimd ten opzichte van de Wet IB 1964 en dat de voorbeelden in artikel 3.91 Wet IB 2001 slechts aanknopingspunten zijn voor de rechter.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwd onderzoek naar het gerechtshof.