ECLI:NL:PHR:2011:BR7011
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat verlies uit handel in kortlopende opties geen resultaat uit overige werkzaamheden vormt
Belanghebbende, werkzaam in de financiële sector en handelend in kortlopende opties voor eigen rekening, leed in 2003 en 2004 aanzienlijke verliezen. Hij voerde aan dat deze verliezen als negatief resultaat uit overige werkzaamheden moesten worden aangemerkt. Zowel de Rechtbank als het Hof oordeelden dat de handel in deze opties speculatief van aard is en geen bron van inkomen vormt, omdat het koersverloop niet redelijkerwijs door belanghebbende kon worden beïnvloed, ondanks zijn deskundigheid en ervaring.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het begrip resultaat uit overige werkzaamheden aansluit bij het begrip 'andere arbeid' uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Daarbij is doorslaggevend dat normaal vermogensbeheer wordt ontstegen en dat er een meer dan louter speculatief uitzicht op voordeel moet bestaan. Handel in kortlopende opties op een open markt is in de regel speculatief en het voordeel niet voorzienbaar, tenzij sprake is van voorkennis of een voorsprongspositie.
De Hoge Raad stelt dat de hoeveelheid tijd en middelen die belanghebbende besteedde aan de handel niet relevant is voor de kwalificatie. Ook het feit dat belanghebbende deskundig is, leidt niet tot een andere beoordeling. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard, waarmee de eerdere uitspraken van Rechtbank en Hof in stand blijven.
Uitkomst: Het verlies uit handel in kortlopende opties wordt niet als resultaat uit overige werkzaamheden belastbaar geacht.