ECLI:NL:PHR:2009:BG6551
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid cassatieberoep en afwijzing verzoek tot horen getuigen
In deze zaak staat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep centraal. De raadsman van verdachte diende de schriftuur te laat in vanwege een administratieve vergissing bij de griffie van de Hoge Raad, die niet tijdig had meegedeeld wanneer de aanzegging aan verdachte was uitgereikt. Hoewel de raadsman hierdoor niet direct op de hoogte was, oordeelt de Hoge Raad dat hij uit de omstandigheden had kunnen afleiden dat de aanzegging was betekend en dat hij tijdig had moeten informeren. Daarom is de termijnoverschrijding niet verontschuldigbaar en wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad het middel van cassatie dat ziet op de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van vijf getuigen. Het hof had geoordeeld dat het horen van deze getuigen niet redelijkerwijs noodzakelijk was, mede omdat sommige getuigen reeds in eerste aanleg of door de rechter-commissaris waren gehoord. De Hoge Raad bevestigt dat het hof het juiste criterium heeft toegepast en dat het oordeel niet onbegrijpelijk is. Het middel faalt en wordt verworpen.
De conclusie leidt ertoe dat het cassatieberoep van verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege de niet-verontschuldigbare termijnoverschrijding en dat het verzoek tot het horen van getuigen terecht is afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verontschuldigbare termijnoverschrijding en het verzoek tot het horen van getuigen wordt afgewezen.