ECLI:NL:PHR:2009:BG5978
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid Openbaar Ministerie ondanks onrechtmatige inverzekeringstelling en veroordeelt verdachte voor valsheid in geschrift en oplichting
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte is veroordeeld voor meerdere feiten van valsheid in geschrift, oplichting en poging tot oplichting. Kern van het geschil was de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, nadat de rechter-commissaris de inverzekeringstelling van verdachte op 18 februari 2005 onrechtmatig had geoordeeld.
Het hof oordeelde dat ondanks deze onrechtmatigheid geen sprake was van een ernstige schending van de beginselen van behoorlijke procesorde die niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zou rechtvaardigen. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de officier van justitie kennelijk in de overtuiging verkeerde binnen de wettelijke kaders te handelen, en dat het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie geen passende reactie zou zijn.
Verder werd het gebruik van een verklaring van verdachte van 19 februari 2005 als bewijs toegestaan, ondanks eerdere overwegingen van het hof die verklaringen tussen 18 en 20 februari 2005 niet voor bewijs wilden gebruiken. De Hoge Raad vond dat dit geen cassatiegrond opleverde omdat het bewijs voldoende met andere bewijsmiddelen was onderbouwd.
Ten aanzien van de strafoplegging verwierp de Hoge Raad het verweer dat rekening gehouden moest worden met buitenlandse veroordelingen op grond van artikel 63 Sr Pro. De Hoge Raad bevestigde dat buitenlandse veroordelingen geen directe werking hebben binnen het Nederlandse strafrecht. Ook de klachten over samenloop van feiten werden verworpen omdat het hof terecht had geoordeeld dat sprake was van meerdaadse samenloop.
De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde het hofarrest waarin verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en 347 dagen, met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoedingen aan de benadeelde partij, de Rabobank.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en 347 dagen en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk verklaard ondanks de onrechtmatige inverzekeringstelling.