ECLI:NL:PHR:2009:BB8345
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ondernemerschap en vereenzelviging vennootschap onder firma met beherend vennoot voor omzetbelasting
In deze zaak staat centraal of een vennootschap onder firma (VOF), opgericht door L BV en een andere concernvennootschap, samen met L BV als één ondernemer moet worden aangemerkt voor de omzetbelasting. De VOF verzorgt beroepsopleidingen voor niet-belastingplichtige afnemers en hanteert een vrijstelling van omzetbelasting. Het Hof oordeelde dat de VOF niet zelfstandig economische activiteiten verricht en daarom met L BV moet worden vereenzelvigd.
De Hoge Raad onderzoekt eerst de relatieve bevoegdheid van het Hof en concludeert dat het Hof 's-Hertogenbosch onbevoegd was, maar verklaart deze onbevoegdheid voor gedekt vanwege proceseconomische redenen. Vervolgens analyseert de Hoge Raad het begrip ondernemerschap in de zin van de Wet op de omzetbelasting en de Zesde richtlijn. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat ook samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid zelfstandig ondernemer kunnen zijn.
De Hoge Raad concludeert dat de VOF wel degelijk zelfstandig optreedt: zij sluit eigen contracten, heeft een eigen bankrekening en treedt op eigen naam. Het feit dat L BV personeel en faciliteiten levert, doet hieraan niet af. De VOF is dus een zelfstandige ondernemer en mag niet worden vereenzelvigd met L BV. Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat belanghebbende terecht mocht vertrouwen op de akkoordverklaring van de inspecteur uit 1990, omdat zij alle relevante informatie had verstrekt en de inspecteur geen voorwaarden stelde.
De naheffingsaanslag wordt daarom verminderd tot het niet bestreden bedrag, en het beroep van belanghebbende wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De naheffingsaanslag wordt verminderd omdat de VOF als zelfstandige ondernemer wordt aangemerkt en het vertrouwen op de akkoordverklaring van de inspecteur terecht was.