ECLI:NL:PHR:2013:CA0269
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling of maatschap, stichting en BV gezamenlijk als één ondernemer optreden voor omzetbelasting
In deze zaak staat centraal de exploitatie van een nachtclub/relaxhuis waarbij drie (rechts)personen betrokken zijn: een BV, een stichting en een maatschap. De BV beschikt over de benodigde vergunningen en faciliteiten, de maatschap bestaat uit prostituees die hun arbeidskracht inbrengen, en de stichting vertegenwoordigt de maatschap naar buiten. De vraag is of deze drie entiteiten tezamen als één ondernemer ('ieder') kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968.
De Rechtbank oordeelde negatief, terwijl het Hof tot een bevestigende conclusie kwam en stelde dat de drie partijen gezamenlijk bepaalden hoe het bedrijf werd geëxploiteerd en als één entiteit naar buiten traden. De Hoge Raad stelt in cassatie dat het Hof onvoldoende heeft onderzocht of er een afzonderlijke rechtsbetrekking bestond tussen de klanten en de prostituees, wat relevant is voor de vraag of sprake is van één ondernemer.
De Hoge Raad benadrukt dat het begrip 'ieder' niet alleen enkelvoudige personen omvat, maar ook combinaties die als entiteit optreden, mits zij maatschappelijke zelfstandigheid bezitten. Echter, het feit dat de prostituees mogelijk een eigen rechtsbetrekking met klanten hadden, kan het als één ondernemer optreden in de weg staan. De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling.