ECLI:NL:PHR:2008:BG5075
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep bij verstreken machtiging voortzetting inbewaringstelling psychiatrisch ziekenhuis
Betrokkene werd op 22 oktober 2008 inbewaring gesteld op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz). De officier van justitie verzocht de rechtbank om machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling. Tijdens de zitting op 27 oktober 2008 werd betrokkene gehoord samen met de behandelend psychiater. Omdat de oorspronkelijke verklaring was afgegeven door een niet-psychiater, werd betrokkene onderzocht door een niet-behandelend psychiater die bevestigde dat voortzetting noodzakelijk was.
De behandelaar had aanvankelijk aangegeven de inbewaringstelling te willen opheffen, maar trok deze verklaring terug na suïcidale uitingen van betrokkene. De rechtbank verleende vervolgens op 28 oktober 2008 de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Betrokkene stelde dat de behandelaar niet bevoegd was om terug te komen op de opheffing en dat de machtiging niet meer van toepassing was.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel het rechtsmiddelenverbod tegen de beschikking tot voortzetting doorbroken kon worden wegens schending van grondrechten, betrokkene op het moment van uitspraak geen belang meer had omdat de machtiging op 18 november 2008 was verstreken. Ook was niet gebleken dat de behandelaar bevoegd was tot het geven van ontslag. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling.