ECLI:NL:PHR:2008:BF3299
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij ontnemingsvordering ondanks gelijkheidsbeginsel en redelijke termijn overschrijding
In deze zaak heeft de raadsman van de veroordeelde aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de ontnemingsvordering, omdat tegen een medeverdachte geen ontnemingsvordering was ingesteld, wat volgens hem in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase betoogd.
Het Hof verwierp het verweer dat het OM niet-ontvankelijk zou zijn, stellende dat het enkele feit dat tegen een medeverdachte geen ontnemingsvordering is ingesteld, geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Ook de redelijke termijn was overschreden, maar volgens vaste jurisprudentie leidt dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. Wel wordt de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn verminderd. De rest van het beroep wordt verworpen. Er zijn geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn maar verklaart het OM ontvankelijk in de ontnemingsvordering.