ECLI:NL:HR:2003:AF4334
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens onvoldoende bewijs toebehoren geld aan betrokkene
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem de betrokkene veroordeeld tot betaling van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, vastgesteld op €76.697,48, met een subsidiaire vervangende hechtenis van 260 dagen. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld en geconcludeerd dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom een bedrag van fl. 6.000,- (ongeveer €2.722,68) dat in de woning van de buurman van betrokkene was aangetroffen, aan betrokkene zou toebehoren. Dit bedrag was door het hof toch meegenomen in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betreft en vermindert het bedrag tot €73.974,80. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen. De beslissing is genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 8 april 2003.
Uitkomst: Het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verminderd tot €73.974,80 wegens onvoldoende bewijs dat €6.000 aan betrokkene toebehoorde.