ECLI:NL:PHR:2008:BD7092
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige dochter niet in strijd met wet en EVRM
De zaak betreft een vader die omgang met zijn minderjarige dochter vordert, maar waarbij de rechtbank en het hof dit verzoek afwijzen vanwege zwaarwegende belangen van het kind. De vader, met alleen de Marokkaanse nationaliteit, was gehuwd met de moeder die ook de Nederlandse nationaliteit bezit. Na echtscheiding is de moeder belast met het gezag over de dochter.
De vader heeft herhaaldelijk verzocht om een omgangsregeling, maar rechtbank en hof wezen dit af, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De redenen waren onder meer het ontbreken van basisvertrouwen tussen ouders, de jonge leeftijd van het kind, en het feit dat de vader nauwelijks contact had met de dochter. Begeleide omgang werd niet als uitvoerbaar of in het belang van het kind beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontzeggen van omgangsrecht niet in strijd is met artikel 1:377a BW en artikel 8 EVRM Pro. De belangen van het kind wegen zwaarder dan die van de ouder, vooral wanneer omgang schadelijk kan zijn voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind. Ook is er geen wettelijke grondslag voor het opleggen van begeleide omgang. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot omgang met zijn minderjarige dochter wordt afgewezen en het cassatieberoep verworpen.