ECLI:NL:PHR:2008:BD4867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt ondanks vrijspraak telen
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem dat verdachte heeft veroordeeld tot betaling van €250.000 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de bewezenverklaring terecht heeft uitgelegd als medeplegen van het telen van hennep, ondanks dat in de bewezenverklaring alleen het aanwezig hebben van hennepplanten werd vermeld.
Verdachte stelde dat de redelijke termijn was overschreden, omdat de officier van justitie al in december 2003 aankondigde een ontnemingsvordering te zullen instellen, terwijl de behandeling pas in november 2006 plaatsvond. De Hoge Raad oordeelt dat de termijn niet onredelijk is overschreden, mede omdat hoger beroep binnen de wettelijke termijn is ingesteld en met redelijke voortvarendheid is behandeld.
Verder klaagde verdachte dat ontneming niet mogelijk is omdat hij is vrijgesproken van het telen van hennep en dat geen vermogensbestanddelen zijn aangetroffen die duiden op wederrechtelijk voordeel. De Hoge Raad volgt het hof dat het telen onderdeel is van de exploitatie van een hennepplantage en dat ontneming ook kan worden gebaseerd op ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid over opbrengst en verkoopprijs van hennep.
Tot slot is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 22 gram per plant en een verkoopprijs van €2,27 per gram niet onredelijk, omdat deze normen algemeen worden gehanteerd en door het hof zijn onderbouwd met rapporten en jurisprudentie. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsvordering van €250.000 ondanks vrijspraak van telen en wijst het cassatieberoep af.