ECLI:NL:PHR:2008:BD1750
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid openbaar ministerie bij poging sociale zekerheidsfraude zonder daadwerkelijk nadeel
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie centraal bij de vervolging van een verdachte die werd beschuldigd van poging tot oplichting in het kader van sociale zekerheidsfraude. De verdachte had via valse documenten geprobeerd een hogere uitkering te verkrijgen, maar door tijdige ontdekking was er geen daadwerkelijk nadeel voor de uitvoerende instantie ontstaan.
De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude alleen strafvorderlijk optreden toestaat bij daadwerkelijk geleden nadeel. Het hof oordeelde echter dat de Aanwijzing mede ziet op het potentiële nadeel, en dat dit voldoende is voor vervolging. Het potentiële benadelingsbedrag lag ruim boven de vervolgingsgrens.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de Aanwijzing bedoeld is om een uniforme toepassing van het strafvorderingsbeleid te waarborgen, waarbij ook pogingen tot fraude onder de reikwijdte vallen. Een letterlijke uitleg die pogingen buiten beschouwing laat, zou leiden tot ongewenste discretionaire vervolgingsbeslissingen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van poging tot sociale zekerheidsfraude, ook zonder daadwerkelijk nadeel.