ECLI:NL:PHR:2008:BC9408
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens onduidelijke bekentenis en onvolledige motivering opzet
In deze zaak werd verdachte door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens doodslag en poging tot doodslag gepleegd op 26 juni 2004 in Rotterdam. Het hof baseerde zijn oordeel mede op een verklaring van verdachte die als bekennend werd aangemerkt, waarbij het hof volstond met een opgave van bewijsmiddelen conform art. 359, derde lid, Sv.
De verdachte ontkende echter expliciet het opzet op de dood, en gaf aan dat het niet zijn bedoeling was om iemand te doden, hoewel hij toegaf twee keer met een mes te hebben gestoken. De Hoge Raad overweegt dat het hof niet zonder meer mocht aannemen dat verdachte het bewezenverklaarde, met name het opzet, duidelijk en ondubbelzinnig had bekend. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom voorwaardelijk opzet aanwezig was en had de omstandigheden waaronder de feiten waren gepleegd nader moeten betrekken in zijn oordeel.
Daarnaast werd de toepassing van de recidiveregeling besproken. Het hof had een toevoeging aan de tenlastelegging gedaan op grond van art. 43a Sr, maar deze kon niet worden toegepast omdat de feiten waren gepleegd vóór de inwerkingtreding van deze wet. Het hof had terecht geoordeeld dat de oude regeling (art. 422 oud Pro Sr) evenmin van toepassing was.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting. De conclusie werd vervroegd gedaan om overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen, aangezien verdachte preventief gedetineerd is en de termijn op 12 mei 2008 afloopt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de bekentenis en het opzet.