ECLI:NL:PHR:2008:BC7683
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid werkgever voor gezondheidsschade door blootstelling aan organische oplosmiddelen
De werknemer was sinds 1975 in dienst bij de werkgeefster en werkte tot 1999 als procesoperator waarbij hij werd blootgesteld aan organische oplosmiddelen. Vanaf 1984 klaagde hij over vergeetachtigheid en er werden geheugenstoornissen vastgesteld. Hij stelde dat zijn gezondheidsklachten het gevolg waren van deze blootstelling en vorderde schadevergoeding op grond van art. 7:658 lid 2 BW Pro.
De kantonrechter kende hem aanvankelijk schadevergoeding toe, maar het gerechtshof stelde dat de werknemer onvoldoende bewijs had geleverd dat hij gedurende zijn werkzaamheden in relevante mate was blootgesteld aan organische oplosmiddelen en dat zijn klachten daardoor konden zijn veroorzaakt. Het hof wees de vordering af.
In cassatie stond centraal of het hof de bewijslast en stelplicht juist had toegepast. De Hoge Raad bevestigde dat de werknemer moet stellen en bewijzen dat hij is blootgesteld aan gevaarlijke stoffen en aannemelijk moet maken dat hij daardoor gezondheidsklachten heeft. Het hof had terecht geoordeeld dat incidentele blootstelling niet voldoende is en dat de werknemer bewijs moest leveren van regelmatige blootstelling.
De Hoge Raad verwierp de klachten van de werknemer over een ontoelaatbare bewijsopdracht en verrassingsbeslissing. De conclusie is dat de werknemer niet is geslaagd in het bewijs van een causaal verband tussen zijn klachten en de blootstelling, zodat de vordering tot schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW Pro niet toewijsbaar is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de werknemer onvoldoende bewijs leverde voor het causaal verband tussen zijn gezondheidsklachten en blootstelling aan organische oplosmiddelen.