ECLI:NL:PHR:2008:BC4844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging partneralimentatie bij samenwonen als waren zij gehuwd
De zaak betreft een geschil tussen gewezen echtelieden over de beëindiging van partneralimentatie op grond van artikel 1:160 BW Pro, dat bepaalt dat de alimentatieplicht eindigt wanneer de alimentatiegerechtigde met een ander samenleeft als waren zij gehuwd.
De vrouw stelde dat zij niet feitelijk samenwoonde met haar nieuwe partner, terwijl het hof oordeelde dat dit wel het geval was vanaf medio december 2003 tot december 2005. De Hoge Raad bevestigt dat het hof de juiste maatstaf hanteerde voor het begrip samenwonen als waren zij gehuwd, namelijk een duurzame affectieve relatie met wederzijdse verzorging, samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding.
De Hoge Raad oordeelt tevens dat de terugwerkende kracht van het beëindigen van alimentatie met zorg moet worden toegepast. Het hof had de alimentatie beëindigd met ingang van 1 februari 2004 en de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van het teveel ontvangen bedrag. De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet is ingegaan op het verweer van de vrouw dat zij niet in staat is tot terugbetaling.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is vernietiging van het arrest en verwijzing naar het hof voor hernieuwde beoordeling, met name over de terugwerkende kracht en draagkracht van de vrouw. De zaak benadrukt het restrictieve karakter van artikel 1:160 BW Pro en de noodzaak van zorgvuldige motivering bij terugwerkende beëindiging van alimentatie.
Uitkomst: De Hoge Raad concludeert tot vernietiging en verwijzing wegens onvoldoende motivering over terugwerkende kracht van beëindiging alimentatie.