ECLI:NL:PHR:2008:BC2332
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid aanhouding ondanks latere vrijspraak
Op 31 juli 2004 werd verdachte in Venlo aangehouden door politieambtenaren die hem betichtten van het overtreden van artikel 184 Wetboek Pro van Strafrecht. Tijdens de aanhouding verzette verdachte zich met geweld. Het hof verklaarde dit feit bewezen op basis van het politieproces-verbaal en de verklaring van verdachte zelf.
Verdediging voerde aan dat de aanhouding onrechtmatig was omdat het bevel tot verblijfsontzegging waarop de aanhouding was gebaseerd, niet rechtsgeldig was gemandateerd door de burgemeester. Het hof verwierp dit verweer omdat de politieambtenaren een redelijk vermoeden van schuld hadden op grond van hun waarnemingen tijdens surveillance.
De Hoge Raad bevestigde dat een latere vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging niet automatisch inhoudt dat de politie niet rechtmatig handelde bij de aanhouding. De aanhouding was gegrond op een redelijk vermoeden van schuld en vond plaats tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de aanhouding en de veroordeling wegens wederspannigheid.